J. C. Scheffer

Een schaakbiografie door Enno Scheffer

Jurriën Cornelis Scheffer werd op 25 mei 1909 in Amsterdam geboren in een onderwijzersfamilie, zowel de vader als de moeder waren onderwijzer en ook in eerdere generaties was dit beroep niet zeldzaam. Waarschijnlijk heeft hij het spel geleerd van zijn vader die zelf lid was van een schaakclub, vermoedelijk ASC. In 1920 overleed zijn moeder aan pernicieuze anemie, vitamine B12 en foliumzuur waren nog niet ontdekt. Deze tragedie leverde wel een erfenis op die hem in staat stelde de schaakencyclopedie van Bilguer in de uitgave van 1916 te kopen die ruim vier jaar in de etalage van een Amsterdamse boekhandel had gestaan – de moderne omloopsnelheid van boeken moest nog komen. Op z’n twaalfde werd hij zelf lid van ASC, een club zonder jeugdafdeling waar heren sigaren rokend en koffie drinkend achter het bord zaten.

Scheffer bij Landau in de jaren ’20

Hij doorliep de HBS waar hij onder andere bevriend raakte met de vier jaar jongere Lodewijk Prins met wie hij meer liefhebberijen deelde, zo speelden ze pianobewerkingen van symfoniëen van Beethoven vierhandig. Aan de foto in huiselijke omgeving te zien kende hij ook de oudere Salo Landau persoonlijk.

Scheffer begint gewoon in het 4e bij ASC, maar binnen enkele jaren speelde hij om het clubkampioenschap van Nederland in ASC 1. De Zaanlander, 1-4-1926.
Scheffer wint schoonheidsprijs ASC in 1927, De Telegraaf, 23-2-1927.
Zowel in seizoen 1929-1930 (invaller) als in 1932-1933 speelde Scheffer mee in ASC 1, dat landskampioen werd. Bredase Courant, 20-2-1933

Na de HBS (Hogere Burgerschool) studeerde hij werktuigbouw, eerst aan de HTS, vervolgens als spoorstudent aan de TH Delft.

Scheffer klust bij als schaakleraar

Afstuderen terwijl de Grote Depressie op zijn hoogtepunt was maakte het moeilijk om een echte baan te vinden. Dit gaf hem de tijd om bij Leonard Ornstein in Utrecht te promoveren (op de gekorreldheid van de fotografische plaat), later werd hij volontair op het Nationaal Luchtvaart Laboratorium, enigszins te vergelijken met stagelopen tegen onkostenvergoeding. Daarnaast hield hij zich met een verbluffend groot aantal activiteiten bezig: behalve schaken en pianospelen ook nog zwemmen, bergwandelen, fotograferen, zweefvliegen en zelfs, korte tijd, boksen. “Maar mijn neus vormde een te gemakkelijk mikpunt”. Dit alles grotendeels gefinancierd door de eerder genoemde erfenis. Waarschijnlijk kwamen daarnaast wat bedragen uit de schaakwereld bijvoorbeeld via het lesgeven in de hausse na het wereldkampioenschap van Euwe. Ook een reis naar het toernooi in Moskou van 1936 probeerde hij betaalbaar te houden door voor een krant verslagjes te schrijven, het is onbekend welke krant dat is geweest.

Op bezoek in Moskou, 1936

Zijn overwinning op Prins in het VVGA toernooi van 1938 trok de belangstelling van Hans Kmoch, een sterke Oostenrijkse speler die in de beide wereldkampioensmatches de secondant van Euwe was geweest:

Onderstaande partij, ontleend aan „De Schaakwereld”, werd gespeeld tijdens de jubileumwedstrijd van de V.V.G.A. in 1938. De analyse is van H. Kmoch.

Wit : L. Prins. Zwart : Dr. Scheffer.
Colle-systeem

1. d2-d4 d7-d5 2. Pg1-f3 Pg8-f6 3. e2-e3 e7-e6 4. Pb1-d2 c7-c5 5. c2-c3 Pb8-c6 6. Lf1-d3 Lf8-d6 7. 0-0 0-0 8 Dd1-e2 e6-e5 9. d4xe5 Pc6xe5 10. Pf3xe5 Ld6xe5 11. e3-e4 Tf8-e8 12. f2-f4 d5xe4 13. Ld3-b5 Le5-c7 14. Lb5xe8 Dd8xe8 Een bijzonder moeilijke stelling, moeilijk zowel in schaaktechnisch als in psychologisch opzicht. Wit heeft de kwaliteit veroverd, maar zwart bezit een sterke pluspion (e4) en bovendien het loperpaar, hetgeen voldoende compensatie betekent. Het evenwicht is dus niet verbroken, waarmee in de eerste plaats wit dient rekening te houden. In dergelijke situaties loopt de speler, die de kwaliteit meer heeft altijd gevaar zijn kansen te overschatten en daardoor in het nadeel te komen. Toch is het niet buitengesloten, dat het overwicht van de kwaliteit tot zijn recht komt n.l. wanneer de compensatie der tegenpartij op de een of andere manier te niet gedaan wordt. Waarop moet dus wit de partij aansturen? Ziehier enige belangrijke wenken: 1. Wit mag niet toelaten dat de sterke Zwarte vrijpion verder oprukt. Dit betekent dus, dat wit veld e3 moet blijven beheersen. 2. Wit moet trachten een der vijandelijke lopers te ruilen. 3. Wit moet trachten terrein te winnen om aldus tot de aanval te komen. De kans hiertoe zetelt hierin, dat Zwart verschillende ruiltransacties moet trachten te vermijden. 4 Wit moet trachten de open d-lijn te bezetten. Dit gaat relatief gemakkelijk, omdat zwart zijn toren niet aan wit mag blootstellen. 5. Wit mag geen gelegenheid verzuimen om de kwaliteit op gunstige manier terug te offeren. Uit dit alles blijkt meteen ook het richtsnoer voor zwart. Het moet echter nog eens uitdrukkelijk gezegd worden dat de wederzijdse kansen tegen elkaar opwegen. In de partij volgde: 15. Pd2-c4 Vrijwel de enige goede zet. Wit wil met 16. Pe3 voortzetten. 15… De8-b5 Een goed antwoord. 16. Tf1-e1 Hier kwam ook 16. b3 zeer in aanmerking, want 16… Le6 benevens ruil op c4 zou weliswaar de witte pionnenstelling verzwakken, maar tegelijkertijd een der zwarte lopers doen verdwijnen. B.v. 16. b3, Le6 17. Le3, Pg4 18. Tad1, Pe3: 19. De3:, Lc4: 20. bc4; Dc4 21. Td7 ten gunste van wit. 16 Lc8-g4 17. De2-f1 Ta8-e8 18. a2-a4 Geen goede zet. Een sterke en logische voortzetting was hier 18. Pe3 (b.v. 18… Df1:† (vrijwel gedwongen )19. Kf1:!, Ld7 (19… Lf4:? 20. Pg4: en wint) 20. g3 (20 Pg4 21. Td1). 18 …Db5-c6 Zwart, die met het oog op zijn loperpaar agressief moet spelen, mag blij zijn dat hij niet tot de ruil der dames gedwongen werd. 19. Lc1-e3 b7-b6 20. h2-h3 Een kleine verzwakking, echter noodzakelijk teneinde desgewenst met Td1 te kunnen voortzetten. 20 …Lg4-c8 21. Pc4-a3 Veel beter was 21. Pd2 geweest, b.v. 21 … Pd5 22. Df2. Zeer in aanmerking kwam ook 21. Pe5, want na 21 Le5: 22. fe5:, Te5: 3. Tad1 heeft wit weliswaar een tweede pion verloren, maar hij komt tot de aanval. 21. … Pf6-d5 22. Pa3-c2 Dc6-f6 Sterk gespeeld. Om pion f4 te redden, moet wit zijn rochadestelling verder verzwakken. 23. g2-g3 Df6-h6 24. Ta1-d1? Zwart heeft uitstekende aanvalskansen. Toch ware de zaak voor hem veel moeilijker geweest, wanneer wit hier pion h3 met 24. Kh2 had gedekt. 24… Lc8xh3 25. Df1-b5 Pd5-f6 Het is zeer waarschijnlijk, dat wit in zijn vooruitberekening deze zet, waarmee de dubbele dreiging De8: mat en Td5 gepareerd wordt, over het hoofd heeft gezien. Zwart staat nu overwegend en bevindt zich bovendien materieel in het voordeel. Onder deze omstandigheden kan de uitslag der partij niet twijfelachtig zijn en is dan ook de rest voor onze bedoelingen onbelangrijk. Er volgde nog : 26. Db5-c6, Lh3-g4; 27. Td1-d2, Lg4-f3; 28. Td2-h2, Dh6-g6; 29. Th2-g2, Lf3xg2 30. Kg1xg2 Lc7-b8, 31. b2-b4, c5xb4 32. Pc2xb4 Dg6-g4; 33. Pb4-d5, Dg4-f3f; 34. Kg2-g1, Df3xg3†; 35. Kg1-f1, Dg3-h3†; 36. Kfl-gl, Dh3-e6; 37. Pd5xf6†, g7xf6; 38. Dc6-b5, Kg8-h8; 39. Le3-d4. De6-g4†; 40. Kg1-f1, Dg4-f3† en wit gaf het op.

Simultaan voor de zeevaartschool

Twee jaar later baarde zijn remise tegen Euwe in het VVGA toernooi van 1940 opzien. Hieronder het commentaar wat Prins op een partijfragment gaf in zijn rubriek in het Algemeen Handelsblad:

Hier is zwart niet zoozeer bedreigd. Hij heeft een geïsoleerden pion op d5, doch die pion is ook “vrij”, zwart is het best ontwikkeld en zijn stukken zijn uitnemend opgesteld. Na 15. …, Tc8, 16. Pc5:, Pc5: („dreigt” d5—d4), 17. Le3, f4, 17. Ld4, Lf5 staat zwart waarschijnlijk beter dan wit. Zwart tracht het looperpaar te behouden en verliest zoodoende kostbaren tijd. 15 Lc5—a7 16. Pb3—d4 Dd8—b6? Nog kon zwart door 16. … Ld4:; 17. Dd4, Tc8; 18. Ld3, Pc5; 19. Le2, Lf7!; 20. Td1, Pe6; 21. Dd5:, Dd5:; 22. Td5, Pf4; 23. Td2, Tfe8 een goede stelling verkrijgen. Na den gespeelden zet kan wit door een dwingende combinatie in het voordeel komen. 17. Le1—e3 f5—f4 18. Pd4xe6! Db6xe6 Bittere noodzaak. 18. … fe3: wordt wel het meest overtuigend weerlegd door 19. Dd5: (vooral niet 19. Pf8:, ef2:†; 20. Kh1, Pg3† en mat), ef2:†; 20. Kh1 en Pe4 is verloren. 19. Lc2—b3! Tf8—d8 20. Le3xa7! Beter dan 20. Lf4:, g5! Dat zwart onafgebroken gedwongen zetten doet vereischt geen toelichting. 20… Ta8xa7 21. Dd1—d4 Ta7—e7 Opnieuw de eenige parade; er dreigde ook De4:. 22. Ta1—d1 Jammer! De kroon op het werk zou 22. Tae1! zijn geweest, met als resultaat 22. …, Pg5 (nog steeds gedwongen), 23. Df4:, Pf7, 24. Dd4, gevolgd door f2—f4 of, eventueel,Ted1 en Tfe1. Wit zou dan in een veelbelovenden stand het voordeel van een pluspion hebben gehad. Er volgde: 22 De6xe5, 23. Lb3xd5†, Kg8—f8, 24. Dd4xe4, De5xe4, 25. Ld5xe4, Td8xd1, 26. Tf1xd1, Te7xe4, 27. Kg1—f1 en na nog zeventien zetten werd de partij remise gegeven.

Een jaar later scoorde hij weer een plusremise tegen de voormalige wereldkampioen, ditmaal in het ENPS (Eerste Nederlandse Populaire Schaakclub) toernooi dat in de Euwe-biografie van Munninghof niet genoemd wordt. De rubriek in het Algemeen Handelsblad is nu naamloos maar het taalgebruik doet nog steeds aan Lodewijk Prins denken. Vermoedelijk vond de redactie het verstandig om de naam van de joodse Prins niet meer te vermelden.

SCHAAKRUBRIEK
IEDERE schaakmeester kent een zeker soort tegenstander die hij moeilijk of in het geheel niet kan verslaan. Een sterk voorbeeld geven Aljechin en Kashdan, die hun eerste vijf partijen remise maakten en de reeks pas onderbraken (te Pasadena, 1932) nadat Aljechin, kennelijk geïmponeerd, zich vijftig zetten lang had uitgesloofd om het materieele voordeel van kwaliteit plus pion, mitsgaders het positioneele voordeel van een fermen aanval, naar behooren tot gelding te brengen. Bekend is ook, dat dr. Euwe het tusschen 1922 en 1936 in ettelijke partijen met E. Grünfeld niet verder dan remise wist te brengen. Het is in dit verband opmerkelijk, dat onze kampioen in de twee partijen die hij met dr. ir. J. C. Scheffer heeft gespeeld (eenmaal in den V.V.G.A.-wedstrijd, 1940, en eenmaal in het E.N.P.S.-toernooi van September 1941) ternauwernood aan een nederlaag is ontsnapt. In laatstgenoemde partij, hieronder kort bewerkt, is goed de slagvaardigheid te bespeuren, waarmede Scheffer in beide partijen te werk is gegaan.

Wit: dr. M. Euwe. Zwart: dr. ir. J. C. Scheffer.

Oost-Indische verdediging.

1. d2—d4, Pg8—f6; 2. c2—c4. g7—g6; 3. g2—g3, Lf8—g7; 4. Lfl—g2 d7—d6; 5. Pg1—f3, Pb8—d7; 6. 0—0, 0—0; 7. Pbl—c3, e7—e5; 8. b2—b3, Pf6—h5; 9. e2—e4, c7—c6, 10. Lel—e3, Dd8—e7; 11. Tal—c1, Tf8—e8; 12. Le3—g5, f7—f6; 13. Lg5—e3, Pd7—f8; 14. Pf3—h4, De7—f7; 15. Lg2—f3. Op dit oogenblik, waarop zwart wegens de dreigende uiteenrijting zijner pionnenformatie (door Lh5:) in het nadeel schijnt te zullen komen, begint een bijna onafgebroken reeks van handig geënscèneerde tactische verwikkelingen dank zij welken zwart zich blijkt te kunnen handhaven. 15… e5xd4 16. Le3xd4 Met 16. Dd4:, Lh3, 17. Tfd1, f5, 18. Dd2 (18. Dd6: dan Le5, 19. Dd2, f4 met groote tegenkansen), kon wit zijn oorspronkelijk doel bereiken, maar de gevolgen zijn tamelijk onaangenaam, want zwarts aanval komt het eerst: 18. … Lc3:, 19. Dc3:, fe4:, 20. Lh5:, gh5:, eventueel gevolgd door Pg6 enz. 16. … Lg7—h6, 17. Ld4—e3(?). Wit verkiest tot iederen prijs materiaal te veroveren, maar het verdiende de voorkeur, met 17. Tc2 en na 17. … Pg7 bijvoorbeeld 18. Te1 positioneel in de meerderheid te blijven (terreinoverwicht, druk tegen d6). 17. … Lh6xe3, 18. f2xe3, Lc8—h3, 19. Tf1—f2, Ph5—g7 (dank zijn den dubbelpion kan zwart zich veroorloven pion d6 te offeren ten einde den ruil op h5 te ontgaan), 20. Tf2—d2, Df7—e7, 21. Td2xd6, Te8—d8, 22. c4—c5? Na 22. Td8:, Td8: is wit klaarblijkelijk geenszins in het voordeel, maar verliezen kan hij de partij dan althans niet. De tekstzet brengt hem in bedenkelijken nood en kost bovendien den pluspion. 22. … Pg7—e8, 23. Td6xd8, Ta8xd8, 24. Dd1—e1. De7xc5, 25. g3—g4?! Het gelukt wit met behulp van provocaties uit de positioneele impasse (veroorzaakt door den nooddruftigen en belemmerenden dubbelpion en de daaruit voortvloeiende leemten) te geraken. Toch is het middel welhaast erger dan de kwaal want zwart kon o.a. met 25 Dg5 nog een pion buitmaken. 25. … Pf8—e6 (met deze voorbereiding van Dg5 bederft zwart niet veel, want wit kan zijn stelling niet verbeteren; op 26. Pd5 of 26. Pe2 volgt Dd6, op 26. Kh1 daarentegen Dg5), 26. De1—f2, Dc5—g5, 27. Kg1—h1, Td8—d3, 28. Pc3—e2, Dg5xe3? Zwart kiest de verkeerde afwikkeling. Na 28. … Lg4: zou zijn voordeel zeker beslissend zijn geweest. Nu blijft Lh3 in de val, en bevrijdingspogingen zooals h7—h5 zouden zwart de pluspion kosten. Wit is gered. 29. Df2xe3, Td3xe3, 30. Kh1—g1, Pe6—g5, 31. Kg1—f2, Te3—d3, 32. Pe2—f4, Td3—d2†, 33. Kf2—g3, Lh3xg4, 34. Kg3xg4, Td2xa2, 35. Te1—d1 (het beste; hij moest Pd6 verhinderen; in aanmerking kwam ook 35. e5), 35 Ta2xh2, 36. Td1—d8, Kg8—f7 (36 Kf8? dan 37. e5, fe5:, 38. Pg6:† enz.), 37. Td8—d7†, Kf7—g8, 38. Lf3—g2 (wit versmaadt herhaling van zetten en speelt op winst van den toren en van de partij), 38. … Pg5—f7 (maar ook zwart! er dreigt zoowel Pe5† als g6—g5 als Th4:†), 39. Kg4—g3 (39. Tb7:, Pe5†, 40. Kg3, Th4: zou tot hetzelfde, 39. Pf3, Ped6! daarentegen tot een weinig bevredigend resultaat leiden), 39. …. Th2xh4, 40. Kg3xh4, g6—g5†, 41. Kh4—h3, g5xf4, 42. Td7xb7, Pf7—e5, 43. Tb7xa7, Pe8—d6, 44. Ta7—a4 (er dreigde f3 enz.), 44 … Kg8—g7, 45. Kh3—h4, Kg7—h6, 46. Lg2—h3, Kh6—g6, 47. Lh3—g4, f6—f5, 48. e4xf5†, Pd6xf5†, 49. Lg4xf5†, Kg6xf5, 50. Kh4—h3, h7—h5, 51. Kh3—h2, h5—h4, 52. Kg2—h3, Pe5—f3, 53. Ta4—b4, Kf5—e5, 54. Kh3—g4, Pf3—d4, 55. Kg4xh4. Remise: 55. …, c5, 56. Tb8, Ke4 enz.

Inmiddels was Scheffer, enkele weken voor de Duitse inval, getrouwd en de gezinsuitbreiding liet niet lang op zich wachten, bovendien hieven de bezetters het Luchtvaartlaboratorium al snel op. Dit maakte het vinden van een redelijk betaalde baan zo langzamerhand urgent. In 1943 lukte het om leraar aan de HTS in Groningen te worden en dat zou hij tot zijn pensioen blijven, in de laatste jaren uitgebreid met een conrectorschap. Ondanks zijn strengheid bij tentamenbeoordelingen lijkt hij tamelijk populair geweest te zijn bij zijn leerlingen. Op straat in Groningen en ver daarbuiten werd hij regelmatig aangesproken door oudleerlingen waarvan hij wel het gezicht herkende maar nooit de naam wist. Hij leed aan een lichte vorm van narcolepsie die er toe leidde dat hij af en toe in slaap viel, zelfs op feestjes en andere drukke bijeenkomsten, dus zeker voor de klas. In de zestiger jaren nam een leerling een houten boxcamera mee om een foto te kunnen nemen van de slapende leraar. Die nam later lachend die foto mee naar huis – hij kon er de grap wel van inzien, dit in tegenstelling tot zijn eerste vrouw, die het in slaap vallen in gezelschap niet iets vond om trots op te zijn.

In Groningen werd hij lid van Staunton en kreeg hij kort na de oorlog een schaakrubriek in het Nieuwsblad van het Noorden die hij van maart 1946 tot eind 1969 verzorgd heeft. Bovendien hielp hij mee in de organisatie van het Staunton wereldtoernooi van 1946. Het conflict met zijn oude vriend Prins moet voor hem extra pijnlijk zijn geweest, al heeft het niet tot een definitieve breuk geleid. Details zijn te vinden in het Groningen 1946 toernooiboek.

Voor de klas

Meespelen in de wintercompetities van Staunton en in de kampioenschappen van de Nosbo leverden in totaal vijf Staunton- en zes NOSBOtitels op. In zijn rubriek besteedde hij veel aandacht aan het plaatselijke schaakleven, hierbij een vrij willekeurig voorbeeld uit 1949 tegen die andere meervoudige kampioen Bunt. In deze partij blijkt weer zijn voorkeur voor activiteit en aanval boven materiaal.

Hier volgt nog een belangrijke partij uit het Nosbo-kampioenschap.

Wit: dr ir J. C. Scheffer. Zwart: H. Bunt.
Nimzo-Indisch.

1. d2—d4, Pg8—f6, 2. Pg1—f3, d7—d5, 3. c2—c4, e7—e6, 4. Pb1—c3, Lf8—b4 (met omwisseling van enkele zetten is een variant van het Nimzo-Indisch ontstaan) 5. Le1—g5, d5xc4, 6. e2—e3 (scherper is 6. e4, maar ook riskanter),6 b7—b5, 7. Lf1—e2, c7—c6, 8. 0—0, Lb4xc3 (zwart moet hiertoe wel onmiddellijk overgaan wil hij het door de rochade ontpende paard onschadelijk maken), 9. b2xc3, h7—h6, 10. Lg5—h4, Pb8—d7 11. Dd1—c2 Lc8—b7, 12. Pf3—e5, Dd8—c8 (op 12… Pe5:, 13. de:, g5, 14. Tfd1, moet zwart òf de dame wegspelen òf 14. Pd7 laten volgen. In beide gevallen krijgt wit een gunstige stelling), 13.. f2—f4, Dc8—c7, 14. f4—f5! (wit heeft met deze aanval voldoende compensatie voor zijn pion), 14… Pd7xe5, 15. Lh4—g3, Dc7—d7, 16. Lg3xe5, Th8—g8, 17. f5xe6, Dd7xe6, 18. Tf1—f4, Pf6—d5 (het gaat nu hard tegen hard) 19. Le2—g4, Pd5xe3 (ook na 19… Dg6, 20. Lf5, Dh5 21. Tf3, komt wit in het voordeel) 20. Dc2—h7, (ook 20. Le6:, Pc2: 21. Lf7:† is winnend) 20…f7—f5, 21. Lg4—h5t, Ke8—d7, 22. Ta1—e1, (het paard is nu gedwongen de dekking van f5 op te geven en daarmee is het pleit beslist) 22 Pe3xg2 (een laatste noodsprong) 23. Kg1xg2, c6—c5†, 24. Kg2—f2, (dreigt 25. Tf5: en ook 25. Lg7:) 24 Lb7—e4? (een blunder in tijdnood, zwart heeft echter reeds geen goede zet meer) 25. Te1xe4, f5xe4, 26. Lh5—g4, zwart geeft op.

In de tachtiger jaren kwam zijn plaats in het eerste van Staunton in gevaar en na een conflict stapte hij over naar Helpman. Daar zat ook wel een practische kant aan, niet alleen zijn schaakkracht nam geleidelijk af, hij werd ook slechter ter been en het clubhuis van Helpman was veel dichterbij. Enkele jaren later al zorgde de fusie tussen Staunton en Helpman voor een terugkeer bij de oude club. Om gezondheidsredenen heeft hij daar niet veel meer gespeeld en uiteindelijk is hij op 23 november 1996 overleden.

Scheffer in 1982

In zijn Helpman jaren werd Scheffer geïnterviewd door Henk van Dijk, dat stuk leest u via de link.

Wachtwoord vergeten?